Het ongeluk
‘Nou, jongens, die club van Linda van Lieshout zal zich voorlopig wel gedeisd houden,’ zegt Jasper als ze het politiebureau uit komen.
‘Weten jullie dat ik nog tril van de zenuwen,’ zegt Kira.
‘Anders ik wel,’ bekent Boris. ‘Even dacht ik dat het misging. Ze bleven doodleuk ontkennen. Totdat de trainer van Rik die Robbie de Groot herkende.’
‘Sander heet hij,’ verbetert Rik. ‘Robbie de Groot is zijn artiestennaam. We hadden geluk dat Koos thuis was. Meestal zit hij op zaterdagavond in de kroeg.’
‘Zullen we nog even ergens een ijsje pikken?’ stelt Tom voor. ‘Tenslotte hebben we wat te vieren.’
De anderen schudden hun hoofd.
‘Het is te laat,’ zegt Tessa. ‘Nadia en ik moeten naar huis.’
‘Ik ga er ook vandoor.’ Boris steekt zijn fietssleuteltje in het slot en rijdt weg. ‘Tot morgen, hè?’
Als hij een poosje later de kamer in komt, zit zijn moeder op de bank te lezen. Zodra ze Boris ziet, legt ze haar boek opzij. Ze kijkt hem onderzoekend aan. ‘Vertel eens eerlijk, had jij echt niks met die diefstal te maken?’
‘Natuurlijk niet,’ antwoordt Boris verontwaardigd.
‘Zo vanzelfsprekend is dat niet,’ gaat zijn moeder verder. ‘Je hebt een paar dagen geleden nog uit mijn portemonnee gestolen.’
Boris voelt dat hij boos wordt. Waarom moet zijn moeder dat nou weer aanhalen? Het liefst zou hij tegen haar schreeuwen dat ze haar mond moet houden. Maar hij herstelt zich.
‘Ik weet heus wel waarom je daar weer over begint,’ zegt hij zo kalm mogelijk. ‘Je wilt alleen maar dat ik kwaad word en dat we weer ruzie krijgen…’ Hij kijkt haar uitdagend aan. ‘Dat is toch zo?’
Hij ziet hoe de kleur uit zijn moeders gezicht wegtrekt en hoe ze haar lippen samenknijpt. Dan vliegt ze op: ‘Hoe durf jij… Nee, mannetje, we gaan de rollen niet omdraaien. Jíj bent hier degene die heeft gestolen, niet ik. Heel handig van je om de schuld op mij te schuiven. Het verbaast me niks. Jij schuift altijd de schuld op een ander. En dat heb je niet van een vreemde. Jij… je bent precies je vader…!’
Wat zegt zijn moeder nou? Er gaat een schok door Boris heen. Zijn hart klopt in zijn keel en hij voelt zijn slapen bonzen.
Hij haalt diep adem en kijkt dan zijn moeder recht in haar ogen.
‘Nou weet ik het,’ zegt hij hees. ‘Nou weet ik waarom jij een hekel aan mij hebt. Omdat ik op papa lijk…’ Hij draait zich om en rent het huis uit.
‘Boris!’ roept zijn moeder hem na. ‘Boris, kom terug!’
Maar Boris is niet van plan om te keren. Hij springt op zijn fiets en racet de straat uit.
Ondanks dat zijn hoofd één grote draaimolen van gedachten is, weet hij één ding zeker: hij gaat nooit meer naar huis. Nooit meer.
In de war van het besluit dat hij heeft genomen, racet hij maar door, zonder te stoppen. Alsof hij zo van de wereld af wil rijden.
Totaal overstuur nadert hij een kruispunt. Het stoplicht staat op rood, maar daar let hij niet op. Hij ziet niks. Ook niet dat er een vrachtwagen met flinke snelheid van rechts komt.
Zonder op of om te kijken scheurt Boris de straat over.
Eerst klinkt er getoeter, gevolgd door piepende remmen. En dan een klap.
Vanaf dat moment gaat alles pijlsnel.
De vrachtwagenchauffeur springt krijtwit uit zijn auto. Hij kijkt geschrokken naar Boris die onbeweeglijk op straat ligt.
Van alle kanten komen mensen aan rennen. Een oude meneer trekt zijn jas uit en legt hem over Boris heen.
‘Blijf maar rustig liggen,’ zegt hij, als Boris hem versuft aankijkt.
Een paar minuten later vult het geluid van een sirene de straat. Een ambulance met zwaailicht stopt. En nog geen tien minuten later rijden ze Boris het ziekenhuis in.